Het verhaal van de verscholen Haarlemse kerken

okt 8 • Op stap in Haarlem • 186 Views • Geen reacties op Het verhaal van de verscholen Haarlemse kerken

De meeste Haarlemmers hebben weleens van schuilkerken gehoord. Dat waren de plekken waar ‘andersdenkenden’ konden samenkomen. In de vroege 17de eeuw tijdens de geloofshervormingen de Gereformeerde of Publieke Kerk de enige toegestane geloofsvorm was geworden.

Niet alleen Rooms-katholieken, maar ook bijvoorbeeld Doopsgezinden en Lutheranen, Remonstranten en Oud-katholieken, moesten in het geheim hun geloof belijden. Schuilkerken waren geen kerkgebouwen. Het waren soms samenkomsten in de open lucht, maar ook plaatsen waar men zich in het geheim verzamelde.

Maarten Luther

In de loop van de zeventiende eeuw werd de soep wat minder heet gegeten. Zeker in Haarlem was dat al vroeg het geval. Andersdenkenden mochten hun gang gaan, als het maar niet zichtbaar was. Die andersdenkenden moesten wel ‘recognitiegeld’ betalen; een soort geloofsbelasting. Ze mochten zelfs hun eigen kerken bouwen, als die maar onzichtbaar waren, achter hoge muren of huizenrijen. Deze kerken, die dus wel degelijk als kerken werden ontworpen en gebouwd, noemen we verscholen kerken. Haarlem telt er twee.

De Lutherse kerk

Al in 1614 bouwde de Lutherse gemeente haar eigen kerk. Deze was keurig verstopt achter rijen huizen en blinde muren, zodat het kerkgebouw van de straatkant niet te zien was. In 1615 kon de eerste dienst er plaatsvinden. Zoals op een anonieme tekening van ca. 1780 is te zien, had het gebouw, inmiddels zichtbaar van achter een hekwerk, nog geen torenspits; die is er pas in 1895 op gezet, toen de hele gevel een neogotische make-over kreeg. 

Aan het eind van de negentiende eeuw kreeg de kerk een Strobel-orgel. Dit is een van de drie die in Nederland bekend waren, en momenteel nog het enige resterende exemplaar.

“Schoonheid, ook in stijlvolle soberheid, is soms nog altijd een beetje verscholen”

In het interieur van de kerk valt op dat de zwaan vele malen is afgebeeld. Dit is het symbool van Luther. Zijn grote voorbeeld Johannes Hus, die in 1415 als ketter werd verbrand, zou hebben gezegd: “Jullie verbranden nu wel een gans [Hus betekent gans – red.], maar na mij zal een zwaan komen.” Luther was een groot bewonderaar van het ideeëngoed van Hus. Hij maakte aantekeningen in de kantlijn van Hus zijn werk en werkte diens kritiek op de kerkelijke praktijken verder uit. Om Hus te eren, voerde hij de zwaan als symbool. De Lutherse kerkgemeente is in de 20ste eeuw samengegaan met andere protestantse kerken. Maar de zwaan is in voormalig Lutherse kerken nog vaak terug te vinden.

De Doopsgezinde kerk

Het gebouw van de Doopsgezinde kerk was volledig inpandig, omringd door huizen die de Doopsgezinden stuk voor stuk opkochten. Ze deden hun schuilnaam ‘huyskoopers’ eer aan. De ingang was vroeger aan de Peuzelaarsteeg. Later is een zichtbare ingang gebouwd aan de Frankestraat. Ook kwam er in 1757 een brede ingang aan de Grote Houtstraat; deze brede gang is nu in gebruik als expositieruimte.

De Doopsgezindekerk

Het interieur is sober. Vroeger stond er een hoge preekstoel die via een wenteltrap kon worden beklommen. Deze is in 1891 afgebroken omdat de toenmalige dominee last had van hoogtevrees. Wel beschikt de kerk over een fraai Bätz-orgel; nogal ongewoon, want ouderwetse ‘Dopersen’ vonden de menselijke stem voldoende; muziek was een onnodige opsiering van de eredienst.

Wie geïnteresseerd is in de Doopsgezinde en Lutherse kerk, kan op Open Monumentendagen een kijkje gaan nemen. Schoonheid, ook in stijlvolle soberheid, is soms nog altijd een beetje verscholen.

Tekst: Leny Wijnands en Historische werkgroep Vereniging Haarlem

Related Posts

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

« »